[English version]

De brief aan de Galaten, hoofdstuk 6, vers 11 tot 18.

11 U ziet het aan de grote letters: ik schrijf u nu eigenhandig. 12 Degenen die er zo op aandringen dat u zich laat besnijden, willen alleen een goede indruk maken en voorkomen dat ze worden vervolgd omwille van het kruis van Christus. 13 Ze zijn voor de besnijdenis maar leven zelf niet volgens de wet; ze willen dat u zich laat besnijden om zich daarop te kunnen laten voorstaan. 14 Maar ik – ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus, onze Heer, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld. 15 Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is. 16 Laat er vrede en barmhartigheid zijn voor allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God. 17 En laat voortaan niemand mij meer tegenwerken, want ik draag de littekens van Jezus in mijn lichaam. 18 Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.

De naam Israël valt slechts eenmaal in de Galatenbrief en valt dus op. Eerder ging het over Joden (2:13-15). Waaraan denkt Christus’ dienaar bij ‘het Israël van God’? Niet aan de ene kerk voor Joden en Grieken (3:28). In het begin én aan het eind wenst hij salaam (sjaloom) toe aan alle lezers, maar… speciaal aan het biologisch nageslacht van Jakob.

Jodenchristenen – zoals Paulus zelf! (Fil. 3:5) – hebben een aparte status. Israël is niet vervangen door de kerk. (Nog minder joden- en christendom door islam!) Gods volk is ook niet opgegaan maar getransformeerd in een wereldwijde geloofsgemeenschap.

Profetieën over Israëls kinderen, talrijk als ‘strandkorrels’ (Gen. 22:17; Hos. 2:1), werden werkelijkheid doordat mensen uit alle windstreken zich voegden bij ‘Gods Israël’. Alleen, Israëls hoofdstad is niet meer het húidige, maar het hémelse Jeruzalem (4:25). De besnijdenis bepaalt niet meer Israëls identiteit, Paulus is gestigmatiseerd door zijn doop (3:27). En zoals hij met hoofdletters zijn brief ondertekent, is hijzelf getekend door littekens als gevolg van vervolging om Jezus’ wil.

De Galaten moesten zich niet laten intimideren door Joodse broeders die – uit angst voor ‘valse’ Israëlieten – hen wilden dwingen tot de besnijdenis. Christenen moeten nooit – bang om moslims voor het hoofd te stoten – het evangelie van haar ‘aanstoot’ (1 Kor. 1:23) ontdoen. Ware vrede (Kol. 1:20) en eigenwaarde ontleen je aan het kruis van Jezus Christus.

Zou ‘water bij de wijn doen’ het gesprek tussen moslims en christenen niet juist hinderen?
Psalm 128:3

Gods zegen moog’ u hoeden uit Sion, stad van Hem,
opdat u ziet het goede van zijn Jeruzalem.
U ziet ook op uw bede uw nageslacht met vreugd.
God geve toch de vrede, die Israël verheugt.