[English version]

Het evangelie naar Lucas, hoofdstuk 2, vers 1 tot 14.

1In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5 om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

8 Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10 De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11 vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12 Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ 13 En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:

14 ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’

Vandaag ineens iets heel anders: geen Galaten maar een verhaal uit het begin van het evangelie naar Lucas. En dan ook nog een schriftgedeelte dat gevoelsmatig meer bij de winter past dan bij een zomerdag. Het is ook niet zomaar een dag. Beter: het is – althans voor moslims – een zeer bijzondere nacht. Ze herdenken de eerste ‘neerdaling’ van de Koran, zoals beschreven in Soera 97, El Kadr.

De overeenkomsten met het gelezen bijbelgedeelte zijn treffend. Beide passages gaan over een geschenk uit de hemel en het gaat over engelen en vrede. Maar terwijl moslims in de laylat el kadr – nacht van pracht – stilstaan bij de neerdaling van de Koran, vieren christenen in de kerstnacht dat Gods eeuwig Woord geen boek werd maar – veel heerlijker – een mens!

De zevenentwintigste nacht van de maand ramadan is voor moslims de heiligste nacht van de heiligste maand. De meest waardevolle nacht van het islamitisch ‘kerkelijk jaar’, ‘beter dan duizend maanden’. Het resultaat van de gebeden die ze vannacht opzenden is – menen ze – groter dan duizend maanden ofwel ruim drieëntachtig jaar bidden.

‘Vrede op aarde’ hoorden herders in die heilige kerstnacht waarin een hemels leger de stilte verbrak met het ‘Eer aan God’. Al zo’n twee millennia worden ‘miljoenen gezaligd’ door het kind dat ter wereld kwam als Davids lang verwachte zoon.

Terwijl Jezus voor christenen Gods Woord in eigen persoon is, moeten moslims het met de Koran doen. In plaats van de Bijbel hebben ze Mohammed. In de islam brengt een gestorven profeet je naar een boek. Door middel van de heilige Schrift leidt de heilige Geest je tot de levende Redder.
Gezang 81:7

Roem hemel, die geboortedag,
De schoonste die de wereld zag;
Juich, aarde, nu g’ uw koning ziet,
Zing Hem een nooit gezongen lied.