[English version]

De brief aan de Galaten, hoofdstuk 4, vers 21 tot 27.

21 Vertelt u eens, u wilt u onderwerpen aan de wet, maar luistert u wel naar de wet? 22 Er staat geschreven dat Abraham twee zonen had: een van zijn slavin en een van zijn vrijgeboren vrouw. 23 De zoon van de slavin dankte zijn geboorte aan de loop van de natuur, maar die van de vrijgeboren vrouw aan de belofte. 24-25 Dit is een beeld: de vrouwen staan voor twee verbonden. Hagar staat voor het verbond van de berg Sinai in Arabia, dat slaven baart. Als beeld van dat verbond belichaamt Hagar het huidige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij leeft. 26 Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder, 27 want er staat geschreven: ‘Wees verheugd, onvruchtbare vrouw, jij die niet baart. Jubel en juich, jij die geen weeën kent. Want zij die zonder man is, heeft meer kinderen dan zij die met een man is.’

Abraham had twee vrouwen. Sara, z’n oude, onvruchtbare, wettige vrouw. En Hagar, de jonge Egyptische slavin, tegen Gods bedoeling op voorstel van haar meesteres door de aartsvader tot vrouw genomen. Ze baarde onwettig kroost.

‘Uit de wil van een man’, niet ‘uit God’ (Joh. 1:13). Paulus redeneert: een‘Hagarskind’ is dus iemand die zich door ongeloof buiten Gods gezin plaatst. Voor moslims is Ismaëls moeder rolmodel. De matriarch leert gelovig om te gaan met tegenslagen. Islamgeleerden zien verband tussen Hagar en hidjra (verhuizing). Mohammeds exodus naar Medina op 16 juli 622 – hun jaar 0 – wierp zijn schaduw vooruit in Hagars verhuizing naar Mekka. Het verhaal van haar zoon die bijna verdorst speelt zich af en wordt jaarlijks nagespeeld bij de bron Zamzam.

Christenen bidden niet richting het naderhand veroverde Mekka. Ze knielen evenmin voor open vensters richting het allang verwoeste Jeruzalem (Dan. 6:11). Ze richten zich tot Vader in de hemel. Aan zijn rechterhand zit als Koning ‘de Middelaar van een nieuw verbond’ (Heb. 12:24). Dit ene kind van Sara leidt tot de kinderrijkste moeder: Jeruzalem daarboven. Nakomelingschap van Isaak of Ismaël maakt niet meer uit. De kerk herbergt Jood, Griek en menige Arabier.

Paulus herinnert aan de profetie van Jesaja. Die zag het al voor zich: Israël keert op z’n zondige schreden terug en breidt zich uit naar alle kanten (Jes. 54:1-3). Reeds de boeken van Mozes en de Profeten getuigen van vrijspraak voor iedereen die gelooft in Jezus Christus (Rom. 3:21). Jeruzalem verwierp Hem als onwettige rabbi. Het is aan de kerk om haar christelijke vrijheid te koesteren.

Kan een christen zich ook als een ‘kind van Hagar’ gedragen? Hoe worden mensen zonen en dochters van het hemelse Jeruzalem?
Psalm 113:3

Wie onderligt in stof en slijk,
Maakt God aan edelen gelijk.
Hij geeft een vrouw haar diepst verlangen.
Hij zegent die onvruchtbaar scheen,
Met bloei van kind’ren om haar heen.
Prijst Hem, den Heer, met lofgezangen.