[English version]

De brief aan de Galaten, hoofdstuk 4, vers 12-18.

12 Broeders en zusters, ik smeek u, wees zoals ik, want ik ben zoals u. U hebt mij nooit enig kwaad gedaan. 13 Herinnert u zich niet de eerste keer dat ik u het evangelie heb verkondigd? Ik kwam bij u toen ik ziek was, 14 en hoewel mijn ziekte u er alle aanleiding toe gaf, hebt u mij toch niet veracht of verstoten. U hebt mij in uw midden opgenomen als een engel van God, als Christus Jezus zelf. 15 Toen prees u zich gelukkig. Wat is daar nu nog van over? Ik kan van u getuigen dat u zelfs uw ogen zou hebben uitgerukt om ze mij te geven. 16 Ben ik dan nu ineens uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg? 17 Die anderen doen alles voor u, maar hun bedoelingen zijn slecht: ze drijven een wig tussen u en mij, en dan moet u alles voor hén doen. 18 Het is goed als u zich inspant, maar doe het dan ook voor de goede zaak, en doe het bovendien altijd, dus niet alleen wanneer ik bij u ben. 19 Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u. 20 Hoe graag zou ik nu bij u willen zijn en op een andere toon met u spreken, want ik maak me zorgen over u.

Paulus maakt zich zorgen over zijn Keltische geesteskinderen. Het raakt hem dat ze van hem vervreemd zijn. Maar waar hij echt buikpijn over heeft is dat de band van de Galaten met Christus niet meer die vorm heeft als voorheen.

Ze hadden de apostel ontvangen als een engel uit de hemel. Niet vanwege zijn indrukwekkende verschijning, maar om zijn bevrijdende boodschap: het evangelie van Gods Zoon die de gestalte had aangenomen van een mens in slavengedaante (Fil. 2:6, 7). Ze waren weggelopen met de representant van de Heer over wie Jesaja profeteerde: ‘Zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij was een man die met ziekte vertrouwd was’ (Jes. 53:2, 3).

Maar dwaalleraars waren in de kerken geïnfiltreerd. Ze blaakten absoluut van ijver. Maar wat zei dat? Ook Paulus getroostte zich vóór zijn bekering enorme inspanningen. Lees de harde woorden van Jezus aan het adres van de Joodse oelema, de schriftgeleerden die zo hun best deden om proselieten te maken (Mat. 23:15!). Er is maar één criterium: staat Jezus Christus centraal?

Christenen raken bij een moskeebezoek soms onder de indruk van moslims die zoveel voor hun geloof over hebben. Een christelijk meisje ontmoet een leuke moslimjongen en gaat voor de bijl wanneer hij zijn plichtenleer aantrekkelijk presenteert. Maar al was het een hemelbode (Gal. 1:8), een christen mag zich niet laten verleiden zijn vrijheid op te geven. Soms maken christenen zich zorgen, bang voor een groeiende islam. Maar ’t is belangrijker dat de evangelieprediking en de catechisatie je aandacht heeft! Is de jeugd (voor)bereid om zich te verantwoorden en uit te leggen waar ze haar hoop vandaan haalt? (1 Petr. 3:15) Geloven in Jezus draait om geloven wat God voor ons gedaan heeft.

Wat maakt de islam voor sommigen aantrekkelijk? Wat is de vaste hoop die een christen heeft?
Psalm 69:3

Beschaam om mij het stil vertrouwen niet
van hen die U verwachten in gevaren.
Hoe zou mijn val, o Heer der legerscharen,
hun alle hoop ontnemen in verdriet!
Ik ben gesmaad, om Uwentwil onteerd,
mijn broeders vreemd, gemeden door verwanten.
De ijver voor uw huis heeft mij verteerd,
ik word om U bespot van alle kanten.