Overdenking door Erika van Nes

[do action=”tekst”]Jesaja 63:19 – 64:11

19 Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!
De bergen zouden voor u beven.
1 Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet,
zoals vuur water doet koken,
zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen
en alle volken voor u laten beven,
2 omdat u de geduchte daden doet
waarop wij niet durven hopen.
Als u toch zou afdalen!
De bergen zouden voor u beven.
 

3 Nog nooit is zoiets gehoord,
niet eerder zoiets vernomen.
Geen oog zag ooit een god buiten u,
die opkomt voor wie op hem wacht.
4 U komt ieder tegemoet
die van harte rechtvaardig handelt,
die uw weg gaat, met u voor ogen.
Maar nu bent u in toorn ontstoken,
omdat wij gezondigd hebben.
Hadden we maar de oude weg gevolgd,
dan zouden we worden gered.
5 Wij allen zijn onrein geworden,
onze gerechtigheid is als het kleed
van een menstruerende vrouw.
Wij allen zijn als verwelkte bladeren,
verwaaid op de wind van ons wangedrag.
6 Er is niemand die uw naam aanroept,
die zich ertoe zet uw hand te grijpen.
U hebt uw gelaat voor ons verborgen,
u hebt ons moedeloos gemaakt
en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.

7 Toch, HEER, bent u onze vader,
wij zijn de klei, door u gevormd,
wij zijn het werk van uw handen.
8 Laat uw grote toorn toch varen, HEER,
houd onze schuld niet steeds in gedachten,
maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk?
9 Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden:
Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij.
10 Onze heilige, luisterrijke tempel,
waar onze voorouders u hebben vereerd,
is ten prooi gevallen aan het vuur,
en alles wat ons dierbaar was, is verwoest.
11 Laat dit alles u onbewogen, HEER?
Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden?

[/do]

In het profetische boek Jesaja staat een hartstochtelijk gebed (Jesaja 63:7 – 64:12). Een gebed waarin de auteur zich in naam van het volk tot God wendt en het uitroept, het uitschreeuwt! Het is een gebed om genade, een roep om uitzicht uit een troosteloze situatie. De profeet roept tot God vanwege het volk Israël dat zich van zijn trouwe God afwendde, en nu overgeleverd lijkt te zijn aan de grillen van de andere volken. De profeet roept het uit: ‘HEER, laat ons niet langer afdwalen van Uw wegen, U kunt ons genezen!’

Dan volgt de hartenkreet: “Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!” Het lijkt alsof God zich in de hemel heeft teruggetrokken (zie Jesaja 63:15) en de mensen slechtheid op slechtheid laat begaan zonder zich daarom te bekommeren.
In zijn gebed haalt de auteur de woorden van David aan (zie 2 Samuël 22:10, en Psalm 18:10), en dat is vast niet voor niets. David schreef de woorden dat God ‘de hemel open schoof en afdaalde’ in een bepaalde context: God ging zich bemoeien met een benarde situatie, en… bracht overwinning! Deze woorden worden nu opnieuw aangehaald door de profeet die zich namens het volk tot God wendt: ‘HEER, bemoei U opnieuw met onze situatie!’

De profeet heeft heel goed door dat hij het niet van de goedheid van het volk of van zichzelf moet verwachten. God moet zich niet met het volk gaan bemoeien omdat het zo goed is. Integendeel zelfs! Heel kernachtig schrijft hij dat het volk onrein is geworden ‘als het kleed van een menstruerende vrouw’ (vers 5), voor het Joodse volk een ritueel onreine situatie waardoor de nabijheid van God gemeden moest worden.
En juist vanuit díé situatie, terwijl er vanuit de kant van het volk grote afstand is gecreëerd met God, roept de profeet het uit: “Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!” De mensen kunnen vanuit hun situatie onmogelijk naar God; het enige alternatief is dat God naar de mensen komt.

Dan neemt de profeet in zijn gebed een onverwachte wending: “Toch, HEER, bent u onze vader” (onze ‘Ab’, ‘Abba’, vers 7, zie ook 63:16). Een dergelijke uitspraak is in het Oude Testament vrij ongebruikelijk. Het is ook niet niks: God Váder noemen en bij gevolg jezelf dus als Zijn kind. Maar juist deze intieme band is precies wat de profeet aanhaalt in zijn gebed. God heeft het volk gemaakt, zij zijn het werk van Zijn handen (vers 7). God is de beschermer en bevrijder van zijn volk geweest; niet Abraham, niet Jakob, (63:16) geen grote namen uit het verleden, maar Gód is de Vader van het volk. Het gebed van de profeet eindigt met een beroep op deze Vaderliefde van God: “Laat dit alles u onbewogen, HEER? Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden?” Een vader kan zijn kind toch niet aan zijn lot overlaten, een vader kan toch niet werkeloos toezien hoe zijn kind keer op keer de mist ingaat met alle gevolgen van dien, een vader lijdt dan toch met zijn kind mee?

En God antwoordt dan ook. In de hoofdstukken volgend op dit gedeelte laat God zijn hart spreken. Hij blijft niet ver weg, nee, Hij komt onnoemlijk dichtbij. Neem nu hoofdstuk 65:1-2:

[do action=”tekst”]

“Al vragen zij niet naar mij,
toch laat ik me raadplegen,
en al zoeken ze mij niet,
toch laat ik me vinden.
Al roept dit volk mijn naam niet aan,
toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’

 

Heel de dag sta ik met uitgestoken handen
tegenover een opstandig volk,
dat op de verkeerde weg is
en zijn eigen ingevingen volgt.”

[/do] 

In de hoofdstukken daarna wordt duidelijk dat de opstandigen onontkoombaar geoordeeld moeten worden, maar dat God dit volk, én ook mannen en vrouwen uit alle volken, heil wil bieden.

Wat een gebed van de profeet. Wat een roep om genade, niet omdat het volk dat verdient maar omdat God de Váder is van zijn volk, de Maker, de Redder. Heel dit gebed is een vraag naar God, maar staat tegelijkertijd vol van Gods antwoord. Gods antwoord in Jezus.

God hééft de hemel opengescheurd! Hij daalde af naar deze wereld in eigen Persoon. Eén van de leerlingen van Jezus, Filippus, zei eens tegen Jezus: “Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.” En Jezus antwoordde: “Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” (Johannes 14:8-9).

God zál de hemel ook nog eens openscheuren! “Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer [Jezus] zelf uit de hemel neerdalen.” (1 Thessalonicenzen 4:16). Tot aan die tijd roept de Maker van het heelal ons op om Jezus, het geschenk van Zijn handen, te ontvangen, en zo het voorrecht te krijgen om kinderen van God de Vader te worden (Johannes 1:12)! Kom tot de Vader!