Overdenking door Maarten van den Berg

Filippenzen 3:4-8
“Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. ”

Tijdens een gespreksavond met moslims over ‘God de koning der koningen’ kwam gehoorzaamheid aan God ter sprake. Zo kwamen we ook via een zijspoor bij gebed uit. Een moslim legde uit dat ook hij gelooft dat bidden ‘praten met God’ is. Verder gaf hij aan dat je zelf ook verandert in gebed en er een beter mens van wordt. Vijf keer per dag bidden, zoals Moslims gewoon zijn, is dus ook niet zo’n grote last volgens hem, want je doet het ook voor jezelf. Een christelijke deelnemer aan deze groep was het daar niet mee eens. Hij stelde dat we God vooral moeten zoeken uit liefde voor Hem, zelfs al zouden we er niets voor terug krijgen. Dat je er iets voor terugkrijgt is mooi, maar allereerst wil je God zoeken in gebed en Hem gehoorzamen, omdat je van Hem houdt.  Je doet het dus niet voor jezelf, maar voor Hem. Veel christenen zouden denk ik geneigd zijn om het met de christen eens te zijn; het gaat er niet om dat we iets bij God verdienen of iets van Hem krijgen, maar we moeten Hem zoeken en gehoorzamen omdat Hij het waard is.

Een aanzet in die richting zien we ook in deze tekst van Paulus. Voor zijn bekering had hij het in religieus opzicht goed voor elkaar. Vol ijver zette hij zich in in het kader van de Joodse godsdienst, zodat hij zelfs kan zeggen naar de wet onberispelijk te zijn geweest. Als iemand door zijn ijver of door zijn gerechtigheid of door zijn gebeden iets bij God gedaan zou kunnen krijgen of verdienen, dan was Paulus het wel. Ik denk dat veel christenen en moslims er heel wat voor over zouden hebben om ‘naar de gerechtigheid van de wet onberispelijk’ te zijn. Toch heeft Paulus, die dit allemaal bereikt had, dit achter zich gelaten toen hij zich bekeerde. Met al zijn godsdienstige ijver bereikte hij dat inderdaad. Hij was onberispelijk voor de wet. Hij werd er naar het vlees gesproken een beter mens van. Maar Paulus is na zijn bekering tot iets beters gekomen. Voor de gerechtigheid naar de wet, is een Persoon in de plaats gekomen. Hij wil niet langer ijveren om de wet na te leven, om op die manier zijn eigen gerechtigheid te verdienen, maar nu wil hij God zelf kennen, die Zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. Het verlangen gerechtigheid te krijgen door de wet is vervangen door een verlangen naar de levende God.

Toch noemt Paulus hier wel een beloning. Het is dus niet zo dat Paulus nu ijvert zonder dat hij er iets voor terugkrijgt. Hij is nog steeds vol godsdienstige ijver en hij streeft er nog steeds naar om iets te winnen. Of liever, hij streeft er nu naar om Iemand te winnen, namelijk Jezus Christus. Zo is de beloning niet een zelf verdiende gerechtigheid naar de wet, maar het kennen van Jezus Christus en de gerechtigheid door het geloof in Christus. Hij is gaan inzien dat dit een veel mooiere beloning is dan de gerechtigheid naar de wet, waar hij eerst voor ijverde. Alle eer, aanzien en gerechtigheid die hij zich verworven had, is waardeloos vergeleken met de kennis van Christus. Vuilnis noemt hij het zelfs en in het Grieks staat daar een wat grover woord.

En zo moet het denk ik voor iedereen zijn die God zoekt. Bij ons ijveren en bidden, al dan niet vijf keer per dag, gaat het erom dat we God willen leren kennen. Zo leven we wel degelijk in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Maar het houden van Gods geboden staat dan niet in het kader van gerechtigheid uit de wet voor onszelf, maar in het kader van een persoonlijke relatie met God. De ultieme beloning is het kennen van God, die zich in Jezus Christus, onze Here, geopenbaard heeft. Dat gaat alles te boven.