Onvrede, onbehagen een stem geven, mobiliseren – dat is hetgeen Wilders deed, de laatste jaren, tot en met onlangs zijn ‘minder, minder, minder.’ Gevoelens van onbehagen kanaliseren. In een wel heel smal kanaaltje…

Toch zegt iets me, dat al dat reageren na de uitspraken ‘het’ ook niet is. Alle protest loopt het risico, wat op het tegenovergestelde te gaan lijken: samen veilig ‘minder, minder, minder Wilders’ scanderen, met een deel van de samenleving. In de vorm van tweets, blogs, aangiftes en acties. Zolang het een reactie-tegen-Wilders betreft, krijg ik er uiteindelijk niet, of eerlijker: maar heel kort, warm van. ‘Minder-minder-minder’ onbehagen, onder vele groepen in Nederland, valt niet eventjes ‘te regelen.’

De woordvoerder van de Vereniging van Marokkaanse Moskeeën Zuid Holland stelde, na alle aangiftes en een gesprek met de Rotterdamse Burgervader, positieve actie voor. Het was tijd om de negativiteit om te zetten in positiviteit. Ik begrijp denk ik wel wat hij bedoelt. Maar negativiteit ‘omzetten,’ kan dat eigenlijk? Kan vanuit (zelfs gerechtvaardigde(!)) woede, onbehagen of onvrede vanzelf vrede groeien of vanuit gekwetstheid liefde? Ik ben bang van niet, noch aan de ene, noch aan de andere kant van Wilders. Voor dat ‘omzetten’ moet iets gebeuren onderweg. Is er ook iets meer nodig. Meer dan ‘minder discriminatie’ en ook meer dan: ‘minder criminaliteit’. Maar wat zou dat ‘meer’ ten diepste zijn?

Bidden om meer Marokkanen in onze gemeenten, stelt Evangelie en Moslims. Ik zou eraan willen toevoegen: bidden dat wij daar klaar voor zijn. Voor als ze onze gemeente opzoeken, maar ook als we gewoon buren zijn. Niet ergens in de toekomst, maar elke dag opnieuw. “Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Eén en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen,” schrijft Paulus (Rom. 10:12) En in Kolossenzen 3:11 “Daarbij is niet Griek en Jood van belang, besnedene en onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar Christus is alles en in allen.” De kerk uit het Nieuwe Testament, de kerk en de samenleving nu: de praktijk leert ons dat het gevoel van onbehagen niet vastzit op criminaliteit. Ja, de Joodse wittenboordjescrimineel Levi moest aanschuiven met slaven, Griekse ex-gedetineerden met vrije handelaren. Maar er staat ook ‘Jood en Griek, barbaar en Scyth.’ Het zit hem ook in tradities en botsende cultuurverschillen.

Bovenal ging er een schok door de gemeente, omdat het Joodse volk toch eeuwenlang ‘Gods uitverkoren volk’ heette te zijn. En die Griekse heidenen, Scythen, barbaren? Achtergebleven volk, kan er gedacht zijn. Totdat, tot verrassing van velen, God het evangelie van Jezus onder hen liet verkondigen, wortel schieten en vrucht dragen. Tot Hij zijn Geest op hen uitstortte, zonder aarzelen, zonder andere voorwaarde dan geloof (Handelingen 10: 44-47). En er gebeurde iets onderweg, met Petrus en zijn metgezellen.

Ten diepste kunnen we de vraag of we een groep mensen ooit mogen afschrijven, op welke basis dan ook, misschien wel zien als deel van Gods grootste vraag aan ons: “Vertrouw me!” Zoals de Joden erop moesten vertrouwen, dat die zo andere Grieken, Scythen en barbaren uiteindelijk geen einde zouden betekenen voor de gemeenten. Gods vraag geldt zowel binnen als buiten de kerk. Durven we erop te vertrouwen dat God het goed ziet? Dat die ander, Griek, Nederlander of Marokkaan, laag- of hoogopgeleid, net zoveel mens is als ik? Dat hij of zij net zo goed door God aangesproken, verkozen, geroepen, tot kind aangenomen kan worden? Dat die ander met evenveel ontferming wordt gezocht?

Het klinkt nogal voor de hand liggend, maar de vraag blijkt in ieder geval in de praktijk een goede oefening te zijn. Hij helpt me anders te kijken naar een hangjongere die aan de overkant een fiets ontvreemdt of de moeder van buitenlandse afkomst die zich zorgen maakt over de weg die haar zoon kiest. Naar wie hier niet geboren, maar voor hun gevoel gestrand zijn, en naar geslaagde studentes, die zowel Marokkaan als Nederlander zijn. Het helpt me om de ‘ander’ niet, om eigen onbehagen te voorkomen, te reduceren tot veel te anders, problematisch. Tot ‘zij.’ Om niemand weg te zetten, uit te sluiten, ook niet in gedachte. En dat valt nog niet altijd mee! De gedachte dat diegene zomaar je broeder of zuster kan worden vormt al een goede correctie. God is rijk voor ieder die Hem aanroept.

Tegelijkertijd vraagt God niet van me, maatschappelijke problemen te ontkennen of kritische gesprekken uit de weg te gaan. Juist met deze bodem onder het bestaansrecht en burgerschap van welke ander dan ook is er de ruimte om in de maatschappij problemen te benoemen, te confronteren, te vermanen en oplossingen te zoeken. Zowel binnen als buiten de kerk. Zolang God de zon over ons op laat gaan. Er is zoveel om het over te hebben, in plaats van over Wilders!