In het Nederlands Dagblad van 9 juni 2017 verscheen van de hand van Martijn een reactie op een artikel van Henk Jan Prosman https://www.nd.nl/nieuws/opinie/wees-niet-zo-lief-over-de-islam.2697674.lynkx, naar aanleiding van het boek “Kwetsbare Liefde” van Bernhard Reitsma.

Hierbij het artikel:

Goed, de islam heeft donkere kanten. Maar is dat een stok om moslims mee te slaan? Of zoek je als christen dan toch de
ontmoeting?
Henk-Jan Prosman zet zijn kritiek op het nieuwste boek Kwetsbare liefde van Bernhard Reitsma zwaar aan (ND 2 juni). Hij eindigt met een
retorische vraag en een opmerking, die eigenlijk door het boek van Reitsma zelf beantwoord wordt.
Eerst de retorische vraag. Laat je je kinderen liever opgroeien in een seculiere of een geïslamiseerde samenleving? Het logische antwoord: in
een seculiere samenleving natuurlijk. Een willekeurige Arabische christen zou dit antwoord ook geven. Seculier is beter!
Volgens mij mist Prosman hiermee het punt van het boek: ‘Hoe kan de gemeente van Christus (…) zonder ontrouw te worden aan haar eigen
identiteit, afzien van alles wat een blokkade kan vormen voor moslims om de echte Christus te leren kennen?’ Als belijders van ‘Christus als
Heer’ moeten we blokkades uit de weg ruimen. En voor moslims zijn dat er veel.
onpersoonlijk
Prosman verwijt Reitsma dat hij geen oog heeft voor de donkere kanten van de islam. Ik zou daarover ook graag meer willen horen. Maar als
Reitsma die zou benoemen, wat dan? Hebben we dan een stok om moslims eens flink mee te slaan?
Dat is precies wat Reitsma niet wil. Terecht. De misstanden van de islam stel je namelijk niet aan de kaak in onpersoonlijke boeken, die toch
niet door moslims gelezen worden, maar in de werkelijke, eerlijke en veilige ontmoeting. Alleen dáár heb je recht van spreken.
En dan nog alleen, betoogt Reitsma terecht, wanneer je ook eerlijk naar jezelf durft te kijken. Díé ontmoeting met de islam, met moslims, leert je dat te doen. En omdat het boek voor christenen geschreven is, gaat het dus vooral over het christelijke verleden. Dat lijkt me logisch. Maar die zelfreflectie schuurt, doet pijn en irriteert. Daarom lopen de gemoederen ook hoog op, zodra het over onze verhouding tot de islam gaat.
irritatie
Ook bij Prosman schuurt dat. Het irriteert hem bijvoorbeeld dat Reitsma eigenlijk geen antwoord wil geven op de vraag of Allah dezelfde is als God. Die irritatie bewijst de noodzaak van het boek. Het voegt echt iets toe aan het nadenken over de verhouding kerk-islam.
Eerlijke zelfreflectie, in het licht van Christus’ werk, is het uitgangspunt. Daardoor klinken door het boek heen nogal eens woorden als
bescheidenheid, kwetsbaarheid, nederigheid en terughoudendheid. En ja, dat zijn geen populaire woorden in een wereld waar grote monden het voor het zeggen hebben.
Prosman heeft merkbaar moeite met die begrippen. Want zo’n houding lijkt onvermijdelijk te leiden tot lijden – en dat is de kerk in het Westen verleerd.
Zijn commentaar ademt de geest dat ons beeld van de islam niet bepaald moet worden door angst of superioriteit, ‘maar …’ en dan volgt een
betoog waaruit blijkt dat er wel degelijk een superioriteitsgevoel meespeelt.
Wellicht zien we hier het verschil tussen iemand die kan putten uit ervaring van het leven tussen moslims in een islamitische cultuur, en iemand die die ervaring niet heeft. Reitsma heeft door de levende ontmoeting met de islam en met moslims zijn christen-zijn laten bepalen.
Hij is dan wel té scherp als hij beweert dat een christen de ontmoeting met de islam nodig heeft voor zijn geloof – daar heeft Prosman een
punt. Maar zijn kritiek lijkt verdacht veel op een omgekeerd balk-splinter-verhaal.
karikaturaal
Prosman zet zijn kritiek haast karikaturaal aan, bijvoorbeeld over onderwerpen als antisemitisme, vervolging en de positie van niet-moslims in een islamitische samenleving. Daarmee doet hij geen recht aan de intentie van het boek. Dat is jammer, want zo blokkeert Prosman de eerlijke zelfreflectie waar Reitsma voor pleit.
Als moslims niet bij bosjes tot geloof in Jezus komen, ligt dat dan aan de islam – of aan de kerk, die in de loop der eeuwen van Jezus vooral
een karikatuur gemaakt heeft, die moslims afstoot?
westerse vrijheid
Prosman beantwoordt ten slotte zijn retorische vraag, met de opmerking dat het christendom en het vrije Europa de islamitische medeburgers juist iets te bieden hebben.
Wat dat is, wordt bij hem niet duidelijk. Maar dat is precies waar het boek van Reitsma om gaat.
Het vrije Europa met zijn liberale, seculiere D66-verworvenheden legt aan de ene kant alsnog een heleboel blokkades neer voor moslims om
Christus werkelijk te leren kennen. Maar de vrijheid hier geeft moslims tegelijkertijd de mogelijkheid hun eigen bronnen zelfreflecterend te
bestuderen.
Het zou mooi zijn als ze dat in het licht van Jezus’ genade zouden kunnen doen. En juist díé hebben wij hun te bieden. Niet koloniaal of
superieur, maar kwetsbaar, eerlijk, liefdevol.

Martijn Leeftink