het kruispunt - christenen in gesprek met moslims

16 mei 2012

Jezus is Gods zoon en Johannes was zijn profeet

 

Het evangelie volgens Marcus

Hoofdstuk 1

 

1 Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God.

 

2 Het staat geschreven bij de profeet Jesaja:

‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit,

hij zal een weg voor je banen.

3 Luid klinkt een stem in de woestijn:

“Maak de weg van de Heer gereed,

maak recht zijn paden!”’

 

4 Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen. 5 Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. 6 Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. 7 Hij verkondigde: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken. 8 Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’

 

9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. 10 Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, 11 en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’

 

12 Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. 13 Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.

 

In de Bijbelstekst hierboven staat het begin van het breaking news van Jezus Christus, zoals Marcus dat – volgens oude traditie – uit de mond van Jezus’ metgezel Petrus heeft opgetekend. Over (Johannes) Marcus is uit de Bijbel bekend dat hij ook met Paulus op zendingsreis is geweest. Hij was een neef van Barnabas, eveneens een reisgezel van ‘de apostel van de heidenen’.

Je kunt het gedeelte lezen als een geheel: vers 1 is de titel, de verzen 2 en 3 samen de ondertitel en dan volgt de inleiding op Marcus’ verslag. Samen met dat van Matteüs, Lucas en Johannes vormt het een viervoudig – dus dubbel betrouwbaar – getuigenis. De verzen vormen de introductie op de met vaart geschreven evangelievertelling, verwoord door Marcus.

In vers 1 zegt Marcus onomwonden wie Jezus is: ‘Zoon van God’. Hij draait er niet omheen omdat de joden dat liever niet horen. Er is ook geen reden om een ‘moslimvriendelijke’ Bijbelvertaling te gebruiken omdat zij het evenmin kunnen begrijpen dat de mens Jezus tegelijk meer was dan een mens. Het is beter om het uit te leggen. Nou ja, dat kan eigenlijk niet: het is een goddelijk mysterie.[1] Maar we kunnen wel duidelijk maken dat het niet is wat moslims denken. We geloven niet dat God een Zoon verwekt heeft zoals mensen hun kinderen verwekken.[2] Jezus is de eeuwige Zoon van God die in de prachtigste nacht ooit mens werd.

Dit is – en dat is de boodschap van vers 2 en 3 – helemaal volgens het Oude Testament. Eigenlijk staan in deze verzen citaten uit het boek Maleachi en uit het boek Jesaja. Vers 2 haakt aan bij Maleachi 3,1: ‘Let op, ik zal mijn Bode zenden; Hij zal de weg voor mij effenen. Opeens zal Hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de Engel van het verbond naar wie jullie verlangen.’ Het is een profetie over niet maar een maar over dé reddende Engel = boodschapper of bode van God. Over  Gods Zoon, zijn Woord in eigen Persoon[3], Jezus Christus. In Hem heeft God zich volledig uitgesproken.[4]

Het slotakkoord van het Oude Testament maakt duidelijk dat, voordat ‘de zon die gerechtigheid brengt’ zou doorbreken, iemand als Elia terug zou komen. Een boeteprofeet in bedoeïenenkledij die mensen op de verschijning van Jezus zou voorbereiden. Daarvoor switcht Marcus in vers 3 naar Jesaja 40 waar staat: ‘‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.’[5]  Precies zo gebeurde vlak voordat Jezus in de openbaarheid trad. Hij werd voorafgegaan door Johannes de Doper. De grootste profeet aller tijden, met wie de profetie voorafgaande aan Jezus werd afgesloten.

Moslims vragen ons vaak waar Jezus heeft gezegd dat Hij God is. Uit de openingszinnen van ‘het evangelie volgens Marcus’ blijkt dat, nog voordat Jezus zélf aan het Woord komt, ánderen al van Hem getuigen.

In de eerste plaats Johannes. Hij zei: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken. Ik heb jullie gedoopt met water, maar Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest.’ Johannes kondigde iemand aan die nog veel belangrijker was dan hijzelf. Iemand die ook meer kon doen dan mensen bewegen tot schuldbelijdenis. Iemand die meer te bieden had dan een rituele wassing met water als teken van berouw en afwassing van zonden. Jezus zou mensen onderdompelen met de Heilige Geest en hen innerlijk vernieuwen.[6]

Wat alles slaat is de stem die uit de hemel klinkt. God zelf zegt dat Jezus zijn Zoon is. Ter gelegenheid van de doop van Jezus en later nog een keer.[7] Het doet denken aan Jesaja 42, de eerste profetie over Gods lijdende dienaar.[8] Nog letterlijker sluit God aan bij Psalm 2.[9]

Tenslotte bewijzen de wilde dieren en de engelen het wanneer de Geest die eerst op Jezus neerdaalt als een duif Hem de woestijn indrijft om zijn krachten met de duivel te meten. Alles en iedereen erkent in Jezus zijn meerdere.

Jezus was zelf zonder zonde maar liet zich ook dopen. Hij nam door zijn doop de zonden die mensen lieten afwassen en achterlieten in de Jordaan op zijn nek en droeg ze naar het kruis. Daar bleek Hij opnieuw Satan de baas. Die wilde graag dat Hij aan zijn einde kwam en de redding van mensen verhinderen. Jezus stierf maar stond weer op en baande zodoende de weg voor mensen om met God in het reine te komen. Eigenlijk is het andersom, God zocht de mensen op. Hij verzoende mensen met zichzelf door zijn Zoon ermee te belasten.

De mooiste tekst uit de Bijbel is deze: ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’[10]

 



[1] I Timoteüs 3,16: ‘Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof: Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken,

vond geloof in de wereld, is opgenomen in majesteit’.

[2] Christenen hebben dan ook geen enkele moeite met de letterlijke tekst van Soerat Al-Iglâs (112): ‘Zeg: “Allah is de Enige. Allah is zichzelf genoeg, Eeuwig. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.”.’

[3] Vergelijk Johannes 1,1-3.14: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.  Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. (…) Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’

[4] Johannes 1,17.18: ‘De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.’ Hebreeën 1,1-3: ‘Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie Hij de wereld heeft geschapen. 3 In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, (…).’

[5] Jesaja 40,3.

[6] Vergelijk de belofte in Ezechiël 36,25-27: ‘Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen.’

[7] Marcus 9,7.

[8] Jesaja 42,1: ‘Hier is mijn dienaar, Hem zal ik steunen, Hij is mijn uitverkorene, in Hem vind Ik vreugde,

Ik heb Hem met mijn geest vervuld. Het blijkt een profetie over de lijdende Christus te zijn, zie ook Jesaja 52,13-53,12 in vergelijking met Handelingen 8,26-40.

[9] Psalm 2,7: Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken. Hij sprak tot mij: ‘Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt. De tekst wordt in het Nieuwe Testament meer dan eens op Jezus betrokken.

[10] Johannes 3,16.

9 mei 2012

Hoe wil het Kruispunt met moslims in gesprek?

Christenen willen graag met moslims in gesprek. Moslims vragen daar ook om. Maar hoe? Hoe is de relatie tussen het christelijk geloof en de islam? Hoe kan het gesprek tussen christenen en moslims vorm krijgen? Het Kruispunt heeft zeven uitgangspunten opgesteld, die een bijdrage kunnen leveren aan het vormgeven van respectvolle ontmoetingen tussen moslims en christenen.

1. Moslims en christenen hebben elkaar iets te zeggen

Moslims en christenen hebben speciaal met elkaar te maken; hun religies zijn aan elkaar verwant. Volgens moslims is de islam de opvolging van het christendom, met de Koran als vervanging van de Bijbel. En hoewel deze stelling niet door christenen aanvaard kan worden, is het niet te negeren dat er personen zijn die in beide religies voorkomen. Bovendien delen moslims en christenen een aantal religieuze woorden en begrippen, ook al krijgen die in hun verschillende context een eigen betekenis.

Dat moslims en christenen speciaal met elkaar te maken hebben, komt ook tot uiting in hun boodschap: de islam roept christenen op om de islamitische profeet Mohammed te volgen, christenen roepen moslims op om Jezus te erkennen als Heer.

2. In de ontmoeting van moslims en christenen is pijn onvermijdelijk

De raakvlakken tussen het christelijke geloof en de islam kunnen niet van de context van de beide religies losgemaakt worden. Binnen de verschillende kaders krijgen de overeenkomsten tussen islam en christendom een andere inhoud. Christenen vullen het geloof in de eenheid van God bijvoorbeeld anders in dan het voor moslims centrale geloof in de ‘tawhied Allah’ (de eenheid van Allah). En het hart van de christelijke theologie – Jezus Christus, de gekruisigde – wordt ontkend in de islam. Het doet geen recht aan de werkelijkheid, en het is niet respectvol, om te zeggen dat de verschillen tussen islam en christendom alleen maar te maken hebben met een andere manier van spreken over dezelfde inhoud. De verschillen zijn niet te ontkennen en juist omdat moslims en christenen speciaal met elkaar te maken hebben, brengt dit pijn met zich mee: pijn dat de diepste overtuigingen niet met elkaar gedeeld worden.

3. Heb hebben van een dubbele agenda is prima, het hebben van een verborgen agenda niet

Voor een vreedzame ontmoeting is transparantie nodig. Da’wah of missie is geen motief dat verzwegen hoeft te worden. Het verlangen om het geloof met anderen te delen, sluit dialoog niet uit. Missionaire gedrevenheid heeft te maken met de reden waarom men elkaar wil ontmoeten en niet per definitie met de vorm van de ontmoeting.

Wanneer beide dialoogpartners de instelling hebben om de ander te begrijpen en zelf door de ander begrepen te worden, maakt enthousiasme over de boodschap de communicatie des te interessanter. Om zeker te zijn van dit begrip over en weer, is het in de dialoog goed om het uitgangspunt te hanteren dat beide gesprekspartners, na te hebben geluisterd, in eigen woorden weergeven wat ze begrepen hebben van hetgeen de ander vertelde.

4. Een goed gesprek vereist meer ruimte dan het eigen referentiekader

Voor een respectvolle dialoog is het nodig dat de gesprekspartners elkaar meer ruimte gunnen dan past binnen het eigen referentiekader. Uiteraard beschouwen moslims en christenen hun religie als waar; ze geloven immers in wat ze als Gods openbaring aanvaarden.

Elk heeft ook een visie op de onderlinge verhouding. Voor een goed gesprek moeten beide gesprekspartners echter de ruimte krijgen hun geloof in hun eigen woorden en binnen hun eigen referentiekader uiteen te zetten. De Koran is geen islamitische Bijbel; Jezus Christus is geen christelijke Mohammed.

5. Voor een ontmoeting is de bereidheid nodig om in andermans schoenen te staan

Christenen en moslims die met elkaar in gesprek willen, moeten bereid zijn te proberen naast de ander te gaan staan. Is deze bereidheid er niet, dan weet men niet hoe men bij de ander overkomt en is men ook niet in staat de vragen van de ander goed te interpreteren. Als men niet wil proberen naast de ander te gaan staan is het bovendien niet gepast om kritische vragen te stellen bij het geloof van de ander.

Deze bereidheid om te proberen de gesprekspartner werkelijk te begrijpen, is bijzonder belangrijk wanneer over en weer bekeerlingen deelnemen aan de dialoog. Bekeerlingen kunnen ervan overtuigd zijn al in andermans schoenen te hebben gestaan. Hiermee wordt geen recht gedaan aan de gesprekspartner van dat moment, maar wordt de eigen ervaring toegepast op de ander. Een bekeerling kan de gesprekspartner goed tot zijn recht laten komen, wanneer er de bereidheid is de ander te leren begrijpen.

6. Het is onrespectvol om andermans religieuze bronnen te gebruiken voor het eigen doel

Het doet afbreuk aan een goede dialoog wanneer moslims en christenen elkaars religieuze bronnen gebruiken voor hun eigen doel. Andermans geschriften worden dan immers op zo’n manier uitgelegd dat ze geen recht doen aan de religie van de gesprekspartner. Uiteraard kan men over en weer elkaars bronnen lezen, samenvatten en bevragen.

7. De wereld is geglobaliseerd; de dialoog moet daar rekening mee houden

Moslims en christenen leven samen in één land, in één wereld. Gescheiden van elkaar leven is niet wenselijk, maar door globalisering ook niet meer mogelijk. Voor een samenleving is het goed wanneer haar inwoners elkaar kennen. Wil er echt een ‘samen-leven’ zijn, dan is wederzijds begrip van elkaar noodzakelijk. Vanuit de eigen religieuze overtuiging zouden moslims en christenen bouwstenen moeten willen aandragen voor een samenleving waarbinnen ieder zich thuis voelt en een gelijkwaardige plaats heeft.

 

 

5 april 2012

De wereld wacht op het verlossende Woord – Lucas 24:46-48

Preek door Ds. M. de Vries

Willen wij mensen bekeren? De Vader wil dat ze tot inkeer komen!
Ze vragen ons soms of het onze bedoeling is om moslims te bekeren. Wij gaan het gesprek met hen aan. Maar ze zijn soms wat wantrouwig. “Jullie willen ons toch niet bekeren hè?” Maar ook medechristenen willen het vaak weten. “Waarvoor organiseren jullie gespreks-groepen met moslims? Is het alleen maar om elkaar vrijblijvend te ontmoeten? Of proberen jullie je gesprekspartners ook te bekeren?”
Deze vragen kloppen niet. Goed, Jezus gaf tussen Pasen en Hemelvaart dit ‘zendingsbevel’: “Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen.” Maar wanneer mensen discipelen van Jezus worden komt dat omdat ze zichzelf bekeerd hebben. En uiteindelijk omdat God hen door de Heilige Geest bekeerde. Doordat God mensenwoorden ‘kracht uit de hemel’ bijzette. En inderdaad, daar vragen we om. Het is ons voortdurend gebed. Want het is de wil van God de Vader dat mensen tot inkeer komen.

Lees verder op de Centrum-G website. Lees verder op de Centrum-G website.

De Geest brengt aan het licht… – Johannes 16:8-10

Preek door Ds. M. de Vries

Voor moslims die zich bezighouden met het christelijk geloof en met de bestrijding daarvan, is Johannes 16 een bekend hoofdstuk. Zij lezen daar een aankondiging door Jezus van Mohammed, die zij “het zegel der profeten” noemen. Jezus zegt immers zelf dat er nog iemand na Hem komt. Kijk maar in vers 13: “De Geest der waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid”.
Het onderwerp in vers 8-11 (de tekst voor deze preek) is ‘de Pleitbezorger’. Híj – die even verderop ‘de Geest der waarheid’ heet – is het die “de wereld duidelijk maakt wat zonde, gerechtigheid en oordeel is”. Wij noemen en bezingen Hem ook nog altijd als ‘de Trooster’. ‘Plaatsvervanger’ wordt ook wel gezegd. Het zijn allemaal vertalingen van het Griekse woord ‘Para-kleet’, dat heel letterlijk ‘erbij geroepen’ betekent. In het Latijn: ‘Ad-vocaat’.

Lees verder op de Centrum-G website. Lees verder op de Centrum-G website.

27 maart 2012

Samen in de naam van Jezus – Handelingen 10

Preek door Ds. M. de Vries

Dromen zijn bedrog. Gebleken! De multiculturele droom is voorbij. We zijn wakker geschud. Wie gelooft, wanneer het gaat om de samenleving van moslims en niet-moslims, nog in een smeltpot van culturen, waaruit op den duur iets moois naar boven komt? In een regenboognatie, waar Nelson Mandela destijds van droomde voor zijn nieuwe Zuid-Afrika? Een botsing van culturen. Een ‘clash of religions’, dat is wat we ervan zien komen!

In Handelingen 10 wordt nog wel gedroomd. In elk geval, er is sprake van een engelenverschijning. Een Romein krijgt een gezicht op klaarlichte dag. En tijdens het middaguur raakt een Jood in opperste staat van vervoering. Een Romein en een Jood. De Romein keek neer op de achterlijke Jood.

Lees verder op de Centrum-G website. Lees verder op de Centrum-G website.

6 februari 2012

Kerst en Qadr

Uit De Reformatie van 2 december 2011. Tekst: Ds. Marten de Vries

Midden in de winter bezoekt menigeen van christelijken huize een Kerstnachtdienst om de geboorte van Jezus te vieren. Laat in de zomer hadden moslims hun ‘Nacht van Pracht’. Talloze volgelingen van Mohammed brachten de nacht door in de moskee om de ‘nederzending’ van de Koran te gedenken.

Gebeden in die nacht die ‘beter is dan duizend maanden’, leveren net zoveel vergeving op als aanbiddingen van meer dan drieëntachtig jaar: de levensduur van een man op leeftijd. De Kerstnacht is nog veel kostbaarder dan drieëntachtig jaar. Al zo’n twee millennia worden miljoenen zalig door de nederdaling…

Houden van moslims – niet van fantasievriendjes

Uit De Reformatie van 9 September 2011. Tekst: Ds. Marten de Vries.

Zeven stellingen plus toelichting ter bevordering van een christelijke attitude tegenover onze nieuwe buren.

We hebben gesmeekt dat zij zouden worden bereikt met het evangelie. De Heer maakte het ons gemakkelijk: Hij zette hen bij ons voor de deur.

1 september 2011

Sacrifice

[Nederlandse versie]

Genesis hoofdstuk 22, vers 1 tot 14.

1 Some time later God tested Abraham. He said to him, “Abraham!”

“Here I am,” he replied.

2 Then God said, “Take your son, your only son, whom you love—Isaac—and go to the region of Moriah. Sacrifice him there as a burnt offering on a mountain I will show you.”

3 Early the next morning Abraham got up and loaded his donkey. He took with him two of his servants and his son Isaac. When he had cut enough wood for the burnt offering, he set out for the place God had told him about. 4 On the third day Abraham looked up and saw the place in the distance. 5 He said to his servants, “Stay here with the donkey while I and the boy go over there. We will worship and then we will come back to you.”

6 Abraham took the wood for the burnt offering and placed it on his son Isaac, and he himself carried the fire and the knife. As the two of them went on together, 7 Isaac spoke up and said to his father Abraham, “Father?”

“Yes, my son?” Abraham replied.

“The fire and wood are here,” Isaac said, “but where is the lamb for the burnt offering?”

8 Abraham answered, “God himself will provide the lamb for the burnt offering, my son.” And the two of them went on together. 9 When they reached the place God had told him about, Abraham built an altar there and arranged the wood on it. He bound his son Isaac and laid him on the altar, on top of the wood. 10 Then he reached out his hand and took the knife to slay his son. 11 But the angel of the LORD called out to him from heaven, “Abraham! Abraham!” “Here I am,” he replied. 12 “Do not lay a hand on the boy,” he said. “Do not do anything to him. Now I know that you fear God, because you have not withheld from me your son, your only son.” 13 Abraham looked up and there in a thicket he saw a ram caught by its horns. He went over and took the ram and sacrificed it as a burnt offering instead of his son. 14 So Abraham called that place The LORD Will Provide. And to this day it is said, “On the mountain of the LORD it will be provided.”

During the Festival of Sacrifice, Muslims remember that Abraham was prepared to sacrifice his son. (They assume that this was Ishmael, even though Sura 37: Al Saffat, does not state that). The Festival of Sacrifice or Slaughter is also called the ‘Great Festival’. It takes place ten weeks after the Sugar Festival, the ‘Minor Festival’.

After the hajj to Mecca, Muslims across the globe all slaughter a sheep or a lamb. Family, neighbours and friends can share in the meal.

Central to this is the submission, the surrender, of ‘Muslim’ Abraham. He was exemplary in that. He was rewarded too: Gabriel told him he was allowed to have his child replaced by a lamb.

What is the message of Genesis 22? Once Jesus said: “These are the very Scriptures that testify about me” (John 5:39) ,but where is he in the story? One can draw parallels between Abraham and God: like Isaac’s father gave his son to God, God gave us his Son. More at hand however is it to see the animal in the bushes as a shade of the Redeemer. We can live eternally thanks to the substitute dying of the “Lamb of God, who takes away the sin of the world!” (John 1:29).

Good Friday really is the ‘Great Festival’. Christians celebrate the holy supper. What exactly? Not the self-sacrifice of Abraham, but of Christ. Abraham believed that God could resurrect Isaac from the dead (Hebrews 11:19). Christians accept that they are saved by the death AND the resurrection of the Lord. Undeserved, amazing grace.

“Listen, Muslim, why do you call the Festival of Sacrifice the ‘Great Festival”?
To sing: Jesus paid it all (O praise the one)

I hear the Saviour say,
“Thy strength indeed is small;
Child of weakness, watch and pray,
Find in Me thine all in all.”

Refrain:
Jesus paid it all,
All to Him I owe;
Sin had left a crimson stain,
He washed it white as snow.

For nothing good have I
Whereby Thy grace to claim;
I’ll wash my garments white
In the blood of Calv’ry’s Lamb.

And now complete in Him,
My robe, His righteousness,
Close sheltered ’neath His side,
I am divinely blest.

Lord, now indeed I find
Thy pow’r, and Thine alone,
Can change the leper’s spots
And melt the heart of stone.

When from my dying bed
My ransomed soul shall rise,
“Jesus died my soul to save,”
Shall rend the vaulted skies.

And when before the throne
I stand in Him complete,
I’ll lay my trophies down,
All down at Jesus’ feet.

Offer

[English version]

Genesis hoofdstuk 22, vers 1 tot 14.

1 Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij. ‘Ik luister,’ antwoordde Abraham. 2 ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’

3 De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. 4 Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. 5 Toen zei hij tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’ 6 Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder.

7 ‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ 8 Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder. 9 Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 10 Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister,’ antwoordde hij. 12 ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ 13 Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. 14 Abraham noemde die plaats ‘De HEER zal erin voorzien’. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: ‘Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden.’

Tijdens het Offerfeest herdenken moslims dat Abraham bereid was zijn zoon te offeren. (Ze veronderstellen dat het Ismaël was, al zegt Soera 37: El Saaffaat, dat niet.) Het Offer- of Slachtfeest is het Grote Feest. Het valt tien weken na het Suikerfeest dat het Kleine Feest heet.

Na afloop van de hadj naar Mekka slachten moslims overal ter wereld een schaap of lam. Van het vlees mogen familieleden, buren en vrienden mee-eten.

Centraal staat de overgave van ‘moslim’ Abraham. Daarin was hij voorbeeldig. Daarvoor werd hij beloond: Gabriël zei dat hij een ram de plaats van het kind mocht laten innemen.

Wat is de boodschap van Genesis 22? Een uitspraak van Jezus luidt: ‘De Schriften getuigen over mij’ (Joh. 5:39), maar waar is Hij dan in het verhaal? Je kunt een parallel trekken tussen Abraham en God: zoals Isaaks vader zijn zoon aan God gaf, schonk God zijn Zoon aan ons. Maar het ligt meer voor de hand om het dier tussen de struiken als schaduw van de Verlosser te zien. Wij mogen eeuwig leven dankzij het plaatsvervangend sterven van ‘het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh. 1:29).

Goede Vrijdag is écht Groot Feest. Christenen vieren dan het avondmaal. Wat precies? Niet de zelfovergave van Abraham maar die van Christus. Abraham geloofde dat God Isaak uit de dood kon opwekken (Heb. 11:19). Christenen accepteren dat ze gered zijn door de dood én opstanding van onze Heer. Onverdiende genade!

‘Zeg, moslim, waarom noem je het Offerfeest ‘het Grote Feest’?’
Gezang 109:1

Halleluja, lof zij het Lam,
Die onze zonden op Zich nam,
Wiens bloed ons heeft geheiligd,
Die dood geweest is, en Hij leeft,
Die ’t volk, dat Hij ontzondigd heeft,
In eeuwigheid beveiligt.

30 augustus 2011

Wisdom

[Nederlandse versie]

The gospel according to Matthew, chapter 11, verses 16-19

16 “To what can I compare this generation? They are like children sitting in the marketplaces and calling out to others:
17 “‘We played the pipe for you,
and you did not dance;
we sang a dirge,
and you did not mourn.’
18 For John came neither eating nor drinking, and they say, ‘He has a demon.’ 19 The Son of Man came eating and drinking, and they say, ‘Here is a glutton and a drunkard, a friend of tax collectors and sinners.’ But wisdom is proved right by her deeds.”

One of Christ’s beautiful names is ‘wisdom’ (1 Cor. 1:24). Through him we are ‘righteous’ and ‘holy’ (1 Cor. 1:30).

There is wisdom to be found in Allah’s prescription of fasting, teaches the Islam. It is healthy: your body is being cleansed from toxins; you may even lose weight. To break fasting when the dark sets in bonds people. You will train discipline and endurance. You learn to sympathise with the hungry fellow man.

With the new moon, the sugar festival, the festival of the breaking of the fasting, sets in. This ‘small fest’ is celebrated abundantly with good food, perfumes, new clothes and presents. They did it: long summer days, dusk till dawn, nothing consumed.

John fasted, Jesus feasted. John rebuked sinners, Jesus ate with them. Both were not of anyone’s liking. John was declared mental, Jesus was called a ‘greedy-guts’, and a ‘boozer’. Childish. Like children who do neither want to play wedding nor funeral. There’s godly wisdom in the sobriety of Jesus’ harbinger and the exuberance of John’s master.

The baptism in Christ shows our filthiness and our cleanliness. Very wise! Evidence? People with splendid clothing on the “wedding of the Lamb” (Rev. 19:7-8). Fasting is sensible when you perceive Jesus who persisted and took on His cross (Heb. 12:2). He said: “I am thirsty” (Joh. 19:28). You may drink from “the water of life” (Rev. 22:17).

‘Create in me a pure heart, O God,’ psalm 51:12 says.

Why do christians fast?
To sing/read: Psalm 51:13-17

Then I’ll teach your ways to sinners;
Rebels will turn back to you.
Free me from blood-guilt my Saviour,
God most merciful and true.
Then I’ll praise your righteousness;
Teach my lips your name to bless.
Sacrifice does not delight you,
Else my tribute I would bring;
Nor do you take any pleasure
In a whole burnt offering.
Contrite heart as sacrifice
You, O God, will not despise

(part sung starts in 1.40 min.)

  1. Pagina's:
  2. 1
  3. 2
  4. 3
  5. 4
  6. 5
  7. 6
  8. 7