Christenen willen graag met moslims in gesprek. Moslims vragen daar ook om. Maar hoe? Hoe is de relatie tussen het christelijk geloof en de islam? Hoe kan het gesprek tussen christenen en moslims vorm krijgen? Het Kruispunt heeft zeven uitgangspunten opgesteld, die een bijdrage kunnen leveren aan het vormgeven van respectvolle ontmoetingen tussen moslims en christenen.

1. Moslims en christenen hebben elkaar iets te zeggen
2. In de ontmoeting van moslims en christenen is pijn onvermijdelijk
3. Het hebben van een dubbele agenda is prima, het hebben van een verborgen agenda niet
4. Een goed gesprek vereist meer ruimte dan het eigen referentiekader
5. Voor een ontmoeting is de bereidheid nodig om in andermans schoenen te staan
6. Het is niet respectvol om andermans religieuze bronnen te gebruiken voor het eigen doel
7. De wereld is geglobaliseerd; de dialoog moet daar rekening mee houden

Hieronder werken we deze uitgangspunten uit.

1. Moslims en christenen hebben elkaar iets te zeggen

Moslims en christenen hebben speciaal met elkaar te maken; hun religies zijn aan elkaar verwant. Volgens moslims is de islam de opvolging van het christendom, met de Koran als vervanging van de Bijbel. En hoewel deze stelling niet door christenen aanvaard kan worden, is het niet te negeren dat er personen zijn die in beide religies voorkomen. Bovendien delen moslims en christenen een aantal religieuze woorden en begrippen, ook al krijgen die in hun verschillende context een eigen betekenis.

Dat moslims en christenen speciaal met elkaar te maken hebben, komt ook tot uiting in hun boodschap: de islam roept christenen op om de islamitische profeet Mohammed te volgen, christenen roepen moslims op om Jezus te erkennen als Heer.

2. In de ontmoeting van moslims en christenen is pijn onvermijdelijk

De raakvlakken tussen het christelijke geloof en de islam kunnen niet van de context van de beide religies losgemaakt worden. Binnen de verschillende kaders krijgen de overeenkomsten tussen islam en christendom een andere inhoud. Christenen vullen het geloof in de eenheid van God bijvoorbeeld anders in dan het voor moslims centrale geloof in de ‘tawhied Allah’ (de eenheid van Allah). En het hart van de christelijke theologie – Jezus Christus, de gekruisigde – wordt ontkend in de islam. Het doet geen recht aan de werkelijkheid, en het is niet respectvol, om te zeggen dat de verschillen tussen islam en christendom alleen maar te maken hebben met een andere manier van spreken over dezelfde inhoud. De verschillen zijn niet te ontkennen en juist omdat moslims en christenen speciaal met elkaar te maken hebben, brengt dit pijn met zich mee: pijn dat de diepste overtuigingen niet met elkaar gedeeld worden.

3. Het hebben van een dubbele agenda is prima, het hebben van een verborgen agenda niet

Voor een vreedzame ontmoeting is transparantie nodig. Da’wah of missie is geen motief dat verzwegen hoeft te worden. Het verlangen om het geloof met anderen te delen, sluit dialoog niet uit. Missionaire gedrevenheid heeft te maken met de reden waarom men elkaar wil ontmoeten en niet per definitie met de vorm van de ontmoeting.

Wanneer beide dialoogpartners de instelling hebben om de ander te begrijpen en zelf door de ander begrepen te worden, maakt enthousiasme over de boodschap de communicatie des te interessanter. Om zeker te zijn van dit begrip over en weer, is het in de dialoog goed om het uitgangspunt te hanteren dat beide gesprekspartners, na te hebben geluisterd, in eigen woorden weergeven wat ze begrepen hebben van hetgeen de ander vertelde.

4. Een goed gesprek vereist meer ruimte dan het eigen referentiekader

Voor een respectvolle dialoog is het nodig dat de gesprekspartners elkaar meer ruimte gunnen dan past binnen het eigen referentiekader. Uiteraard beschouwen moslims en christenen hun religie als waar; ze geloven immers in wat ze als Gods openbaring aanvaarden.

Elk heeft ook een visie op de onderlinge verhouding. Voor een goed gesprek moeten beide gesprekspartners echter de ruimte krijgen hun geloof in hun eigen woorden en binnen hun eigen referentiekader uiteen te zetten. De Koran is geen islamitische Bijbel; Jezus Christus is geen christelijke Mohammed.

5. Voor een ontmoeting is de bereidheid nodig om in andermans schoenen te staan

Christenen en moslims die met elkaar in gesprek willen, moeten bereid zijn te proberen naast de ander te gaan staan. Is deze bereidheid er niet, dan weet men niet hoe men bij de ander overkomt en is men ook niet in staat de vragen van de ander goed te interpreteren. Als men niet wil proberen naast de ander te gaan staan is het bovendien niet gepast om kritische vragen te stellen bij het geloof van de ander.

Deze bereidheid om te proberen de gesprekspartner werkelijk te begrijpen, is bijzonder belangrijk wanneer over en weer bekeerlingen deelnemen aan de dialoog. Bekeerlingen kunnen ervan overtuigd zijn al in andermans schoenen te hebben gestaan. Hiermee wordt geen recht gedaan aan de gesprekspartner van dat moment, maar wordt de eigen ervaring toegepast op de ander. Een bekeerling kan de gesprekspartner goed tot zijn recht laten komen, wanneer er de bereidheid is de ander te leren begrijpen.

6. Het is niet respectvol om andermans religieuze bronnen te gebruiken voor het eigen doel

Het doet afbreuk aan een goede dialoog wanneer moslims en christenen elkaars religieuze bronnen gebruiken voor hun eigen doel. Andermans geschriften worden dan immers op zo’n manier uitgelegd dat ze geen recht doen aan de religie van de gesprekspartner. Uiteraard kan men over en weer elkaars bronnen lezen, samenvatten en bevragen.

7. De wereld is geglobaliseerd; de dialoog moet daar rekening mee houden

Moslims en christenen leven samen in één land, in één wereld. Gescheiden van elkaar leven is niet wenselijk, maar door globalisering ook niet meer mogelijk. Voor een samenleving is het goed wanneer haar inwoners elkaar kennen. Wil er echt een ‘samen-leven’ zijn, dan is wederzijds begrip van elkaar noodzakelijk. Vanuit de eigen religieuze overtuiging zouden moslims en christenen bouwstenen moeten willen aandragen voor een samenleving waarbinnen ieder zich thuis voelt en een gelijkwaardige plaats heeft.