Hoe kunnen we bij God komen? Of komt Hij misschien naar ons toe? Moeten we over een weg vol obstakels en donkere plekken, of is er een weg die rechtdoor in het volle licht bij God uitkomt? Zoals een moslim me laatst zei: Ons doel is bij God te komen. Maar welke weg gaat daar naar toe?

Het doel is inderdaad dat we bij God kunnen komen. En we kunnen daar een heleboel dingen voor doen. We doen, zoals dat dan genoemd wordt in het arabisch, allerlei dingen ‘fi sabeel allah’, voor de zaak van God – om God te eren en te behagen, zodat Hij ons zal accepteren.

Maar in Hebreeën zien we dat het niet allereerst gaat om hoe wij bij God kunnen komen, maar om hoe God dat voor ons mogelijk gemaakt heeft. Hij heeft iets gedaan ‘fi sabeel al Insaan’– voor de zaak van mensen, waardoor het mogelijk is om zonder schroom en aarzeling in Gods nabijheid te komen.

Dat is eigenlijk wat de schrijver aan de Hebreeën schrijft in het 10e hoofdstuk. Daarin schrijft hij dat we vrijmoedigheid mogen hebben om bij God naar binnen te gaan, omdat Jezus zijn bloed heeft gegeven en zo een nieuwe en levende weg heeft ingewijd.

In dat stukje uit het woord van God zit heel veel ‘tempelsymboliek’ zoals de joden uit Jezus’ tijd dat kenden. De tempeldienst stond vol symboliek die gericht was verzoening met God. Maar de mensen konden niet zelf rechtstreeks in Gods aanwezigheid zijn. Dat werd in de tempeldienst gesymboliseerd door een kleed voor het laatste kamertje van de tempel: Het heilige der heiligen, daar waar God aanwezig is. Alleen de belangrijkste priester mocht daar één keer per jaar komen om, namens alle mensen, een verzoeningsritueel te voltrekken die symboliseerde dat het weer goed was tussen God en de mensen. Daarvoor moest hij wel eerst zichzelf helemaal wassen, om volmaakte reinheid te symboliseren: Alleen wie helemaal wit en schoon is, kan voor God verschijnen.

De schrijver van de Hebreeënbrief beschrijft wat Jezus deed in termen die doen denken aan wat de Hogepriester moest doen. Jezus die zijn bloed geeft, zoals de hogepriester het bloed van een offerdier gebruikte voor verzoening en symbolische schoonmaak van het hart. Jezus deed dat, zegt de schrijver, met zijn eigen lichaam. Daarmee bereikte het symbool uit de tempel zijn vervulling. Doordat Jezus als Hogepriester zijn eigen leven gaf namens alle mensen, en niet, zoals een ‘gewone’ hogepriester, het leven van een offerdier gaf, werd de toegang naar God definitief vrijgemaakt. Het kleed of gordijn of voorhangsel, dat de scheiding tussen de heilige God en de door zonde bevuilde mensen uitdrukte, en die Gods aanwezigheid afschermde van de mensen, werd weg gehaald en is overbodig geworden. Voortaan is er een nieuwe weg die ons rechtstreeks bij God brengt: De weg van Jezus. Doordat hij zijn leven gaf, heeft hij die weg ingewijd. Zoals een nieuwe spoorlijn of snelweg ingewijd wordt met het doorknippen van een lintje, zo werd Jezus’ lichaam als het ware doorgeknipt om de weg naar God in gebruik te nemen. Het voorhangsel scheurde doormidden. De weg naar en het zicht op God werd vrij.

Die weg is dus een nieuwe weg – dat had nog nooit iemand bedacht en het was ongehoord: Want Jezus was Gods oplossing voor het onvermogen van de mens om tot God te naderen: Gods werk ‘fi sabeel al Insaan’. Want terwijl de hogepriester in de tempel na het ritueel weer terugkeerde naar de ‘gewone’ wereld vóór dat gordijn, en het jaar daarop hetzelfde ritueel moest herhalen – daar keerde Jezus bij wijze van spreken eerst vanuit die aanwezigheid van God door het gordijn heen naar onze ‘gewone’ wereld, om vervolgens die scheiding weg te nemen door het offer van zijn lichaam, en zo weer terug te keren in Gods aanwezigheid. Daar is Hij nu, en het gordijn dat onze wereld en Gods wereld van elkaar scheidt, is definitief weg. Er hoeft niet jaarlijks meer een ritueel opgevoerd te worden. Jezus is namens ons en wij in Hem altijd aanwezig bij de heilige God. We hebben vrije toegang tot God.

Daarmee is die nieuwe weg ook een levende weg: Jezus gaf niet alleen zijn leven, hij kreeg het ook weer terug: Zijn verheerlijkt nieuwe lichaam drukt uit dat wat scheiding teweeg bracht, is weggenomen. Wij mogen vrijmoedig gebruik maken van de weg die Jezus heet. Daar is het altijd licht, ook als het duister is om ons heen en het zicht op God vertroebeld raakt. Ons hart is, door dat offer van Jezus, schoongemaakt. Een wit hart, rein hart heeft Jezus ons gegeven, waardoor we niet meer gebukt hoeven gaan onder zondelast. Want Jezus is als het asfalt dat in een dikke laag over al die zonden en ongerechtigheden heen gelegd is, zodat wij fatsoenlijk daarover heen kunnen. Een levende weg, die ons voortduwt zoals zo’n loopband op Schiphol: als je stil staat, ga je toch vooruit. En als je valt, draagt Hij je verder.

In die wetenschap draagt de schrijver ons op om elkaar daarin mee te nemen. Leidt anderen ook naar die weg. Draag ze waar het moet of stuur ze aan, als ze dreigen af te dwalen. Doe dat in de liefde waarmee God de mensen lief heeft.

Wanneer de weg naar God via Jezus loopt, laten wij die weg dan gaan, en mensen meenemen op die weg, in plaats van dat we steeds weer in het donker van die andere wegen tegen zaken aan botsen en gewond raken.

De weg naar God gaat via Jezus. Hij is de weg. Hij is het licht. En in zijn licht, zien wij licht (Psalm 36:10).